ZERO in het kwadraat

ZERO in het kwadraat

7 februari 2015 t/m 17 mei 2015
In de tentoonstelling ZERO in het kwadraat toont het TextielMuseum werk van twee belangrijke
vertegenwoordigers van de Nulgroep, Jan Schoonhoven (1914-1994) en Henk Peeters (1925-2013), en werk van 9 kunstenaars die in de collectie van het TextielMuseum vertegenwoordigd zijn. Het imago van ZERO en Nul is gebaseerd op monochromie, een voorkeur voor wit, het gebruik van rasters (grids), ritmische composities en herhaling. Daarnaast valt het gebruik van alledaagse materialen en moderne kunststoffen op. Deze kenmerken zien we terug in het werk van Corrie de Boer (1932), Madeleine Bosscher (1942), Marian Bijlenga (1954), Ria van Eyk (1938), Wil Fruytier (1915-2007), Loes van der Horst (1919-2012), Marijke de Goey (1947), Beppe Kessler (1952) en Lam de Wolf (1949).

De internationale ZERO beweging waartoe Schoonhoven en Peeters behoren, ontstond rond 1960, enkele jaren voor de Amerikaanse tendensen van de Post-Painterly Abstraction en Minimal Art. Het minimalistische en de afwezigheid van expressie delen ze, maar de taal van ZERO is minder anoniem en objectief. Handwerk is belangrijk, waarbij ook gebruik gemaakt wordt van textiele materialen. Henk Peeters noemde dit 'de warme kant van de abstractie'.

Jan Schoonhoven en Henk Peeters
Jan Schoonhoven is bekend om zijn witte reliëfs, blinddrukken en (penseel)tekeningen met eenvoudige zwarte lijnen en ritmische patronen. Zijn tekeningen worden vergeleken met boodschappenlijstjes, zijn objecten met jaloezieën, putdeksels en tralies. Ook Henk Peeters’ werk wordt gekenmerkt door regelmaat, symmetrie en monochromie, maar daarnaast is zijn materiaalkeuze opvallend en zeer gevarieerd. Zijn handelsmerk wordt bepaald door het gebruik van plastic, bont, kunstgras, glasparels, veertjes en watten. Deze materialen hebben tactiele, veelal sensuele eigenschappen en vestigen de aandacht op alledaagse schoonheid.
 
 
Kunstenaars uit de collectie
De kunstenaars, met werk uit de collectie van het TextielMuseum, zijn allen vrouwen. Dat is geen opzet, maar ook niet geheel toevallig. Deze kunstenaars hebben hun wortels in de textielkunst en daarbinnen zijn vrouwen traditioneel goed vertegenwoordigd. Net als de ZERO/Nulkunstenaars hebben ze gekozen voor de derde dimensie, ook al blijven de werken doorgaans aan de muur bevestigd. Bovendien permitteren ze zich in hun materiaalkeuze alle vrijheid; weinig herinnert meer aan traditionele technieken of materialen, althans op het eerste gezicht. Deze in de textielkunst opgeleide kunstenaars, hebben er toe bijgedragen dat de traditionele scheidslijn tussen textielkunst en beeldende kunst is vervaagd. De meest opvallende overeenkomsten met het werk van hun oudere, mannelijke collega’s Schoonhoven en Peeters, zijn de voorkeur voor monochromie, terughoudendheid in het kleurgebruik en regelmatige, maar niet al te strenge, zich herhalende structuren. We zien behalve rasters, ook rimpels, plooien en regels. Veel van de hier geëxposeerde kunstenaars zoeken daarmee naar fundamentele of elementaire, vaak
fragiele en transparante vormen. Het weefgetouw en andere grote machines komen er nog zelden aan te pas. Wel wordt er gebruik gemaakt van ‘snijden’ en ‘prikken’ om daarmee de ruimte achter het materiaal zichtbaar te maken en naar voren te halen, en ‘stikken’, waarmee zichtbare en verborgen structuren worden gevormd.

 
 
Abstractie & figuratie
Wat Schoonhoven, Peeters en de meeste van de genoemde kunstenaressen verder bindt, is dat ze geen absolute keuze gemaakt hebben voor abstractie dan wel figuratie. Ze lijken weliswaar vooral abstract te werken, maar toch wordt geregeld gezinspeeld op iets uit de alledaagse werkelijkheid. Zowel Schoonhoven als Peeters hebben de periode meegemaakt waarin kunstenaars om ideologische redenen de druk voelden een keuze te maken tussen figuratie of abstractie. De zogenoemde 'textielkunstenaars' ontkwamen aan een dergelijke keuze: én omdat abstractie in de moderne textielkunst veel geaccepteerder was én omdat hun werk tot ontwikkeling kwam in een tijd dat de strijdbijl begraven was.
 
 
Handwerk & sensuele eenvoud
In de tentoonstelling wordt een aantal verbindende aspecten van de getoonde werken benadrukt. Een belangrijke rol speelt het handwerk, dat soms zeer eenvoudig is, zoals bij Marijke de Goey en Henk Peeters, en in andere gevallen bijzonder minutieus, bijvoorbeeld bij Corrie de Boer en Marian Bijlenga. Zij produceren regelrecht hogeschool 'monnikenwerk'. Eenvoud is een ander sleutelwoord: een simpele reflectie in water, glas of schroeigaten in plastic bij Henk Peeters, ribbels in het kerklinnen bij Corrie de Boer of randjes van een zakdoek bij Lam de Wolf. Tastzin en de sensualiteit van de (denkbeeldige) aanraking komen ook steeds aan bod in de getoonde werken, of zelfs de erotiek daarvan, waarmee bijvoorbeeld Beppe Kessler speelt.
 
 
Concepten en onderzoek
Hoewel het misschien tegengesteld lijkt aan de karakteristieken die hierboven zijn gegeven, valt ook het conceptuele karakter van enkele werken op. We kunnen dan denken aan ‘Regels’ van Corrie de Boer of de ‘Vouwsels’ van Marijke de Goey, maar zeker ook aan het werk van Ria van Eyk. Door de keuze van de werken in de tentoonstelling wordt het onderzoeksmatige aspect van haar werk benadrukt.
 
 
Historische context
Met behulp van publicaties, foto’s, brieven en documentaire films, die op diverse plaatsen in de tentoonstelling te zien zijn, worden de achtergronden van de kunstenaars belicht. Werkwijzen worden hiermee verhelderd, motieven komen naar voren, maar ook geeft het een beeld van de mentaliteit van deze kunstenaars. Twee films, over respectievelijk Jan Schoonhoven en Henk Peeters, geven de bezoeker een goed beeld van de persoonlijkheid en leefwereld van deze kunstenaars. Elders in de tentoonstelling komen ook enkele van hun vrouwelijke collega’s aan het woord. De objecten uit de collectie worden gepresenteerd in combinatie met bruiklenen van musea en particuliere bruikleengevers, waaronder de kunstenaars zelf.
 
Gastcurator & publicatie
De gastcurator van de tentoonstelling, Marga van Mechelen, publiceerde in 2011 de eerste monografie over Henk Peeters. Deze omvat zijn gehele oeuvre, met aandacht voor zijn activiteiten als ontwerper, curator en voorvechter van de seksuele hervorming. Zij is niet alleen geïnteresseerd in de formele verwantschap tussen het werk van Schoonhoven, Peeters en dat van de kunstenaars uit de collectie van het TextielMuseum, maar ook in de vernieuwing van het vakgebied. Bij de tentoonstelling verschijnt een publicatie, waarin veel van de geëxposeerde werken zijn opgenomen. Het essay is van de hand van Marga van Mechelen. Hierin gaat ze uitgebreid in op de midden jaren zeventig waarin er, net als nu, een hernieuwde belangstelling ontstond voor het werk van Schoonhoven en Peeters, en veel van de andere kunstenaars werk maakten dat nauw aansloot bij ZERO. Ook wordt aandacht besteed aan wat deze kunstenaars gezien hun achtergrond en opleiding in aanleg al gemeenschappelijk hadden.