Nan Groot Antink

Nan Groot Antink

Vezels, Bindingen en Verfplanten

Nan Groot Antink verft met natuurlijke verfstoffen. Het is een tijdrovend werk, omdat het proces begint met het zoeken naar de juiste planten waarmee de stoffen kunnen worden gekleurd. Ze laat zich in de keuze van de planten inspireren door de omgeving. Zo heeft ze voor de opdracht van het TextielMuseum gekozen voor planten die vóór de bouw van de voormalige textielfabriek op het terrein voorkwamen. In samenwerking met de Universiteit van Wageningen, die aangaf dat het heideveld geweest moet zijn, koos Nan Groot Antink voor zeven verfplanten: heermoes, jeneverbes, berk, zuring, sporkehout, heide en boerenwormkruid. Samen met het TextielLab werd gezocht naar natuurlijke garens en weefbindingen. Zo ontstonden zeven lange banen van hennep, organisch linnen, papier, abaca (vezel van een bananensoort) en linnen-mesh.

Voor het bewerken van de weefsels werd de aloude methode van de textielfabrieken gebruikt, namelijk het spoelen van de garen met menselijke urine. Vroeger werd de urine geleverd door de fabrieksarbeiders die hun ochtendurine meenamen in een stenen kruik. Het leverde de Tilburgers de carnavalsnaam ‘Kruikenzeikers’ op. Nan Groot Antink vroeg de huidige mannelijke medewerkers van het museum om urine te leveren voor het verfproces. Zij zag dit als een ode aan de vroegere textielarbeiders.

Het verkrijgen van de natuurlijke verf, het weven en bewerken van de stoffen en het uiteindelijke kleuren daarvan heeft bijna twee jaar gekost. Al die tijd hield de kunstenares de ontwikkelingen en de ervaringen bij in twee werkschriften. Uit één van de werkschriften: ‘De weefsels hebben nu een uur in de aluin-soda-beits gestaan. Ongespoeld in de urine gezet. Het stinkt verschrikkelijk… Met respect kijk ik terug naar de vroegere textielarbeider. ‘Geuren’ waren in die tijd een stuk normaler dan nu, in onze ‘hygiëne-alles-fris-maatschappij’ maar toch! Wat moet het gestonken hebben’.

De zeven lange stroken stof, in zachte natuurlijke aardetinten, hangen in de tentoonstelling naast elkaar. Vóór elke strook staat een glazen pot met daarin de plant waarmee de stof is geverfd. In de rand van de lap is de naam van de gebruikte plant geweven.  De installatie oogt sereen en verstild en is een rustpunt in de verder meer uitbundige  bijdragen van de andere deelnemers aan de tentoonstelling ‘Rafelranden van Schoonheid’.