De Wollendekenfabriek 1900-1940

De Wollendekenfabriek 1900-1940

3 november 2002 t/m 1 januari 2020

Een van de hoogtepunten van het TextielMuseum is de tentoonstelling 'De Wollendekenfabriek 1900-1940'. Er is een levendige sfeer nagebootst van een textielfabriek, zoals die in de periode van 1900 tot 1940 bestond. Hier kun je zelf ervaren hoe van ruwe wol een deken wordt gemaakt. Net als vroeger worden de machines aangedreven door een stoommachine. Bekijk de demonstratie van de machines, hoor het stampende en aanhoudende geluid en ruik de geur van wol en olie die zich verspreid door de ruimte. Het lijkt alsof de fabriek nog volop in bedrijf is en dat de arbeiders even weg zijn om te schaften. Zoek ook naar de historische foto´s en filmfragmenten die in de tentoonstelling 'verstopt' zijn.



Van ruwe wol tot deken

Bij binnenkomst is meteen duidelijk dat je je in een wollendekenfabriek begeeft. Grote balen ruwe wol staan klaar om gewogen te worden. Je ruikt de geur van smoutolie die op de wol gegoten werd om de wolvezels te beschermen tijdens het productieproces. Dit proces ging als volgt: met enorme mankracht werd de wol losgemaakt en gemengd. Dit heette smouten en duivelen en was typisch mannenwerk. Het werk was zwaar en vies en onder het dragen en tillen van de wol werden de mannen smerig en vettig. Deze duivelaars, zoals deze arbeiders heetten, kregen vanwege hun vettige kleding de bijnaam: ’vethol’.

Na het duivelen en het kaarden (kammen) van de wol, werd deze met een spinmachine tot garen gesponnen. Op spoelmachines, die eveneens tentoongesteld staan, werden deze gesponnen garens op pijpjes en klosjes gespoeld. De spoelafdeling was het terrein van de vrouw, die op tariefloon werkte. Dit hield in dat de vrouwen wel flink moesten spoelen: per kilo gespoelde garen werd er een vergoeding uitbetaald. Het was dus maar afwachten wat er per dag verdiend werd.

Nopsters, stopsters en 'Kruikenzeikers'
Van de garen werd een ruwe dekendoek geweven. Dit gebeurde op het Buckskinweefgetouw. De zogenoemde nopsters hadden als taak om te controleren of er geen oneffenheden in het weefsel zaten, de stopsters herstelden deze foutjes. Ook deze taken werden door vrouwen uitgevoerd. De volgende stap bestond uit het vollen. De doek was in deze fase nog geen zachte, warme deken, maar bestond uit een ‘open’ structuur: de draden waren nog goed te zien. Bij het vollen werden de schubben van de wolvezels door toegevoegde chemicaliën geopend en zorgde warmte en wrijving voor een dichte stof. Dit heette ‘vervilten’ en gebeurde met een volkom. In de 20ste eeuw werden de chemicaliën soda en ammoniak gebruikt om deze doeken te vollen, maar voor deze tijd werd (menselijke) urine toegevoegd. De Tilburger heeft de bijnaam ‘kruikenzeiker’ hieraan te danken en wordt nog steeds gebruikt.



Na het vollen volgde de ruwfase. De doek ging door een ruwmolen, die bestond uit een wals, bekleed met natuurdistels. Haakjes van deze distels trokken de wolvezels los tot een wollige laag. De deken was nu zo goed als klaar. Als laatste moest de deken nog op maat worden gesneden, afgewerkt worden, waarna deze in het magazijn werd opgeslagen. Al deze stappen kun je zien in de tentoonstelling ‘De wollendekenfabriek’ die eindigt met een uitpuilend magazijnrek vol zachte, bont gekleurde wollen dekens.

Mocht je meer willen lezen over de processen binnen de fabriek, lees dan de borden die opgesteld staan bij de tentoonstelling. Hierop staat uitgebreide informatie over alle stappen en machines.

Deze presentatie werd mede mogelijk gemaakt door financiële ondersteuning van de provincie Noord-Brabant.